De avonturen tijdens het varen op een coaster hoofdstuk 2 .

Al 9 jaar de beste

Ze kunnen niet meer om ons heen.

Volg nu  de avonturen van een onzer lezers in de jaren 60 op de kustvaart.

 

 

Hoofdstuk 2

Weer werd er geroepen aan de wal, hallo Gruno. Staat daar weer die portier, maar nu met een emmertje  eieren in zijn hand. Hier mannen voor die knul die mijn kip gered heeft. 

Wim komt net weer boven, zijn droge broek dicht knopend. Zegt zonder te blozen, ach man dat hoeft toch niet, ik was toch aan een wasbeurt toe. Maar ik geef ze wel aan de kok, bedankt. 

Maar nou brak echt de hel los, vanuit de stuurhut een gevloek, waar de honden geen brood van lusten. 

Staat de ouwe te wijzen en roept: Willempie, ruim je die zwijnenstal  even op!

Wat was er nou gebeurt. De zak waar Wim de kippen in had zitten, had hij snel in de kaartenkamer gekwakt. Alles zat onder het bloed de knoop was los gegaan en vier kippen, zonder kop waren door de stuurhut en de kaartenkamer gerend, 

Samen hebben we de rommel maar weer opgeruimd, de kippen geplukt en in de vriezer gedaan.

Wim vroeg: ga je nog mee de wal op, Dirk?  

Nou dat zou ik wel willen, maar ik heb geen poen. 

Ach man, wat geeft dat nou, volgende maand ben ik blut en je hebt wel wat vertier verdient. 

Kom op, we gaan.

Na wat gelopen te hebben, komen we een kroegje binnen waar wat werklui zaten, die bij ons in het ruim aan het werk waren geweest. We schuiven aan de bar en bestellen een biertje. Achter de toog staat een struise dame, met een boezem waar kleine kinderen van dromen. 

Vraagt Wim, hallo tante, hoe noem je die dingen, wijzend op haar borsten. Knabbel en babbel? 

Ze was denk ik, wel wat gewend, maar gooit toch een half glas bier bij Wim in zijn overhemd en zegt: misschien gaan die van jou ook nog groeien. 

Na het nuttigen van de nodige bieren, vraagt Wim: mag ik eens op die piano spelen? 

Kan jij dat, vraagt ze? 

Wim gaat achter het instrument zitten en begint te spelen. Als een virtuoos speelt hij het ene liedje na het andere.

Als hij bekende liedjes speelt, zingt iedereen mee. Het ene biertje na het andere wordt ons aangeboden. Maar aan alles komt een eind. Na een weemoedig lied besluiten we naar boord te gaan. De tante achter de bar heeft warempel tranen in haar ogen als we afscheid nemen. 

Als we buiten staan, zeg ik, we hebben nog niet betaalt. Dus wij weer terug. Maar zij wilde nergens van weten. 

Erger nog. Vraagt zij: als jullie morgen weer terug komen dan hebben jullie vrij drinken, mits je weer speelt.

Als we terug lopen, komen we langs het bakkertje. 

Het was zo’n typich houten huisje met een puntdakje.

 Uit het bovenste raampje scheen nog licht. Wat doet Wim die gek, begint hij te zingen. 

Het gordijntje werd aan de kant geschoven. 

Waarachtig daar was het koppie van Paula. Verbaasd keek ze uit het raam. 

Ze dacht natuurlijk: wat zijn dat voor gladiolen, zo laat nog in de avond? 

Ze doet het raampje open en zegt zacht: jongens doe een schone luier aan en kom morgen terug dan krijg je een krentenbol van me. Daar had Wim zelfs geen weerwoord op. 

Toen we bij de Gruno aankwamen, zaten Joost en de Bart nog aan een potje bier, maar ik had wel genoeg gehad en ging maar eens proberen te slapen.

Ik kon de slaap niet vatten en lag een beetje naar het plafond te staren. Op het plafond stonden een aantal namen geschreven: Pascal, Saskia, Petra en Inge 111. Zal ik morgen maar eens aan Wim vragen, misschien weet hij er wat meer van.

‘s Morgens werd er op mijn deur gebonsd. 

Hé lapzwans, krijgen we nog koffie?

Ik doe de zeeklep voor het patrijs open en zie dat het al dag is. Snel naar boven, wassen komt later wel, waar al een kan water op het kacheltje staat. Ik was brood aan het snijden toen de kapt kwam binnen.

Voor hij over de waterkering stapte liet hij zón wind dat Max  buiten bleef staan. 

Hij dacht misschien: baas moet dat nou, straks krijg ik de schuld.

 

Het lossen ging nog sneller dan gepland. Dus moest Wim en ik voor de reis nog snel boodschappen gaan doen. Een mud aardappelen, verse groente, brood worst en kaas.

Ik dacht als Wim nou maar niet mee naar de bakker gaat, wie weet wat hij daar weer gaat uithalen. Paula leek zo’n aardig meisje. 

Maar Wim was het hele voorval al weer vergeten hij zei, ga jij naar de bakker dan breng ik de piepers vast naar boord.

Als ik bij de bakker binnen stap, staat zij achter de toonbank. 

Glimlachend vraagt zij: wat zal het zijn troubadour? Doe mij maar zeven wit, zeven bruin en twee krentenbroden. 

Lachend vraagt zij: is dat wel genoeg voor vandaag?

Nee mevrouw, het is voor de bemanning van de Gruno. Wij komen vandaag leeg en gaan aansluitend naar Finland. 

O, ik dacht dat je weer een grapje uit wilde halen. Naar welke stad gaan jullie in Finland vraagt zij. 

Ik zou het niet weten, want we moeten eerst nog laden en ik heb nog niet gehoord waar we heen gaan.

 Maar ik stuur ik wel een kaartje. 

Oké, daar hou ik je aan, zei ze met een stralende lach.

Vanuit de achterkamer roept een vrouwenstem: Willy, breng jij even een bestelling naar de kantine.           Zo dat weten we ook weer; zij heet Willy.

Buiten wordt er geroepen: kokkie ben je klaar?

Is dat je vriend van gisteren? vraagt Willy. 

Nou, mijn vriend. Ik ben pas één dag aan boord. Alles wat ik van hem weet is dat hij Wim heet en uit Scheveningen komt.

Kan hij ook piano spelen? vraagt zij. 

Ja,  hoe weet jij dat? 

Nou, mijn vader was gisteren even in het café en die had zo gelachen. 

Dus jullie waren dat.

Met een stotterende groet verliet ik de winkel. 

Wim stond te wachten en zei: schiet op man, anders heeft de ouwe weer wat te zeuren. 

Achter mij hoorde ik de winkelbel weer rinkelen. 

Willy, stapte naar buiten.  

Hier kwajongens, jullie zouden toch een krentenbol van mij krijgen als je vandaag zou komen?

Lachend ging ze weer naar binnen. 

Maar Willem zou Willem niet zijn als hij geen weerwoord had. Nou meisje bedankt en mijn luier was nog droog vanmorgen hoor. 

Hij sprong op het zadel ik weer voorop en daar gingen we weer. 

Leuk ding, hè Wim? Wie bedoel je? Nou, Willy. 

Willy, vraagt hij. Die ken ik niet. 

 

Als we aan boord komen is het voorruim al leeg, dus moeten we dicht leggen. Bart en ik gooien de luiken op de den. Joost en Wim leggen ze op hun plaats. De kleden hoeven er niet op, want we gaan leeg naar Ijmuiden, staal laden voor Estland.

Als ik door het gangboord loop, hoor ik een fietsbel. Willy komt van haar bestelling terug en wil natuurlijk even kijken wat voor een schip die Gruno nou is. 

Ze stopt bij de plank en vraagt heb je nog koffie kokkie? Parmantig stapt zij via de plank aan boord en gaat door de kombuis in de messroom zitten. 

Zo snel heb ik nog nooit koffie geschonken. Samen, drinken we een bakkie. 

Ze begint te vertellen: mijn vader heeft ook gevaren. Soms gingen ma en ik wel eens mee. 

Mijn vader was vier jaar kok. Maar toen mijn broertje kwam, is hij aan de wal gekomen. 

Heerlijk knus, vond ik het altijd in de kombuis. Ik heb verschillende keren wat uit de pan gepikt, bekend ze.

Na een slokje koffie, vraagt zij: kokkie ga je vandaag kip eten? 

Ik vraag: hoe zo? 

Nou, die was toch in de aanbieding gisteren? 

Hoe weet jij dat nou, vraag ik onnozel. 

Het is hier net een dorp. In de kantine hadden ze je vriend zien zwemmen. Toen de portier zijn kippen ging voeren, miste hij vier kippen, dus het ligt voor de hand, maar ik zal je niet verraden hoor.

Zeg, ik moet maar weer eens opstappen, want er is nog een hoop te doen vandaag. 

Met haar ene been al over de waterkering draait ze zich om en zegt: als je een kaartje stuurt, kijk dan maar op de reclamezak van het brood. Daar staat ons adres op. Doegggggg. En weg is ze.

Wat een oen voel ik me toch. Ik wist haar adres niet eens.? Maar ik weet zeker, een kaartje zal ik schrijven.

Zorgvuldig knipte ik de reclame van de zak en prikte hem boven het aanrecht. 

Er stond: Het beste brood koop je bij Zwart in de Zaan. Dus ze heette Willy Zwart.

 

Ik ga me maar eens aan het eten wijden. Kip met rijst lijkt me wel wat. Eén pak rijst lijkt me wel wat weinig voor vier man. Dus ik zet een grote pan op het vuur de twee pakken rijst er in en laten koken.

De kippen snij ik stuk en doe er kruiden over. Dat had ik mijn moeder zo vaak zien doen, dat zal echt wel lukken. Ik krijg er zowaar best aardigheid in. Zou er een echte kok in mij schuilen?

De koffie stond al te pruttelen, dus wat kon er nog verkeerd gaan.

Wim was als eerste binnen, hij had een kerstmuts op gezet en deed of het heel gewoon was. Wat een idioot was het toch, daar konden we nog wat mee beleven. 

Samen pakten we al vast een bakkie en praatte over het één en ander. 

Opeens schoten die namen mij weer te binnen op het plafond.

Word vervolgd