De avonturen tijdens het varen op een coaster hoofdstuk Nr 3

Al 9 jaar de beste

Ze kunnen niet meer om ons heen.

Volg nu  de avonturen van een onzer lezers in de jaren 60 op de kustvaart.

 

 

Hoofdstuk 3

Zeg Wim, weet jij wat die namen betekenen boven mijn bed? 

O dat, dat is van je voorganger. Die kon beter met vrouwen omgaan dan koken, vertelde hij. 

En Inge met die streepjes er achter, wat is daar nog meer aan toe te voegen? 

Nou daar zal hij het wel drie keer mee gedaan hebben.

Zeg Dirk, zou ik hier nog weg moeten? 

Hoe bedoel je? vraag ik. 

Nou moet je kijken, de geest komt uit de pan. 

Inderdaad het deksel van de rijstpan ging langzaam omhoog en de rijst kroop langzaam over het fornuis. Snel nam ik een soeplepel en begon de rijst uit de pan te scheppen, maar het bleef komen. Uiteindelijk was de gootsteen vol plus een door Joost aangereikte puts. Nou dat wist ik ook weer; twee pakken rijst is wel wat veel voor vier man.

De ouwe zei er niets van en nam nog een borrel. Hij zei: als het eten op is, de kar aan de gang en weg wezen.

De dekschuiten waren nog aan het verhalen, toen we al aan het ontmeren waren. 

Ik nam de pot koffie mee naar de stuurhut, daar hing de kaptein uit het voorste raampje en riep: lekko voor en achter. 

En zei met zijn hoofd half omgekeerd: langzaam achteruit, gevolgd door een wind. Max ging maar weer naar buiten. 

Omdat ik alleen bij hem in de hut stond, dacht ik: hij zal het wel tegen mij hebben. 

 

Dus ik zet de koppeling in zijn achteruit. Omdat we erg naar bakboord uit trokken, draaiden we mooi rond. En kwamen zo met de kop naar het Noordzeekanaal te liggen

Nu liet de ouwe, eerst een wind  om vervolgens te zeggen: oké, nu maar langzaam vooruit. 

Zo gingen we met een zacht gangetje naar de uitgang van de Zaan. 

Aangekomen bij het Noordzeekanaal, draaide ik een beetje naar SB en kwamen netjes in het kanaal op weg naar IJmuiden. 

Zo zie je maar, dat als je langzaam doet, er niets in de weg is. Laat mij nou maar even. Ga jij maar ballast pompen, stuur. Hij draait zich om en ziet mij achter het stuurwiel staan. Wat doe jij daar kokkie?, vraagt hij. Ik sta te sturen kap. 

Kan jij varen, vraagt hij. 

 

 

Als ik dat nog niet kon kap. Ik kom uit de binnenvaart en deed dit al op mijn veertiende. 

Nou dat komt goed van pas. Blijf hier maar even. Ik stuur de stuurman wel, dan ga ik even plat. Roep maar als we in IJmuiden zijn. Liet een wind en was verdwenen.

Maar wie er ook kwam, geen stuurman. Bij de pont van Velsen komt de stuurman in de hut en zegt: die rot pomp was weer eens verstopt. Ik ga eerst de leiding maar eens schoonmaken voor we weer gaan ballasten. Waar is de kapt., Dirk? 

Weet ik veel. Die is bij de Hembrug al naar beneden gegaan. 

Nou dat is mooi d

an zullen wij hem eens een poepje laten ruiken. Durf jij het aan? We moeten in de Rijksbinnenhaven zijn en roepen hem niet. Dat wordt lachen als we geladen naar zee gaan zonder dat hij het merkt. 

Ik antwoorde, mij best hoor dat meren heb ik al zo vaak gedaan, dat moet een peulenschilletje voor ons zijn. Er was gelukkig geen wind, we draaien SB uit met de kop naar de wal dan achteruit dan trok de kont naar BB. En klaar was kees.

In de haven aangekomen, lijkt het allemaal toch wel erg klein. De bravoure zakt me al aardig in mijn schoenen. Maar het valt allemaal mee, aan de wal pakken ze een trosje aan en zonder te botsen meren we tegen de kade.

 

 

Ik loop op de zijkant van de brug om te kijken of Wim de tros wel goed zet. Meteen komt er een man aanlopen die zegt: goed dat je er bent kap. We gaan zo beginnen met laden. Ik stap naar binnen, pak de pet van de stuurman, loop weer naar buiten en roep: stuurman, begin maar van achter het mastdek naar achteren en dan van het midden naar voren. 

Bart en Wim liepen lachend naar het kombuis aan SB.

Zitten we net aan een bakkie, zetten ze een paar rollen bandijzer in het ruim, dat we maken een slagzij van jewelste. Komt de ouwe uit zijn slaaphut. 

 

 

Wat is hier loos? Waar zijn we? Wat gebeurt er? Wie staat er aan het roer? 

Er staat niemand op de brug, zegt Wim, maar we zijn al aan het laden.

Ik dacht dat u op de brug was en wilde net een bakkie bij u komen brengen. En dacht nog bij me zelf, wat ging dit mooi, er word niet gescholden, we knallen niet op de muur, als die ouwe het altijd zo doet scheelt het een hoop verf.

De ouwe gaat direct aan dek en we zien hem met de stuurman heftig zwaaiend met zijn armen. 

Later komt hij in de messroom een bakkie doen en zegt: als je zo door gaat kokkie ben je niet lang aan boord.

Dat dit nog vijf jaar zou duren voor ik voorgoed van boord zou gaan, wisten we nog geen van beiden.

 

 

‘s Nachts om een uur of twee hoorde ik Joost uit bed gaan. Hij riep Bart en samen gaan ze naar boven. Ik hoorde ze met de luiken gooien, dus schiet ik snel een broek aan en ga ook naar buiten. 

Zo, zo, daar is onze gifmenger, riepen  ze. Dat komt goed van pas, ze zijn klaar alleen de kleden moeten er nog overheen. 

Dat had ik al vaker gedaan bij ons aan boord. Maar er moesten twee kleden over elkaar, dat was nieuw voor mij. Dus ik vraag aan Joost: waar is dat voor? 

Nou dat zal je wel merken als we in een buitje komen, bromt hij.

De keggen liggen in een rooster naast de den. Dat is wel makkelijk, hamer er bij en slaan. We zijn nog niet klaar of de loods komt met een taxi aangereden. 

 

 

Even later varen we naar de middensluis en zijn een uurtje later bij de pieren, waar de loods weer van boord gaat met de loodsboot. Ik breng nog een pot koffie op de brug en vraag gelijk wat de bedoeling is, of ik ook wacht moet lopen. 

Nou, dat zag de ouwe niet zo zitten.

Schamper merkte hij op: als jullie van de binnenvaart de wal niet meer zien, raken jullie in paniek. Ga maar pitten en morgen om half acht brood op de plank, welterusten. Willem die aan het roer stond, merkte wel dat het die ouwe niet lekker zat, met dat meren in IJmuiden en riep me na: als we in Brunsbüttel komen, roepen we wel. 

Het enige wat ik nog hoorde was een knallende scheet.

Ik viel gelijk in slaap. Schroef? Wat schroef? Ik hoorde niets.

 

 

 

De andere morgen was alleen de stuurman op de brug. Morgen Joost, zou je wat willen eten? 

Zeker kokkie, maak mij maar een echt Engels ontbijtje met drie eieren. 

Met het bovendeurtje open begon ik te bakken. Dat was een lekker geurtje, dus voor mij zelf ook maar een paar eitjes in de pan. Maar wat was dat nou; er kwam een naar gevoel in mijn buik, werd ik nou zeeziek? 

We slingerden niet eens zo hard, dat zou wat moois zijn. Konden de jongens lachen. 

Snel bracht ik de stuur zijn eten naar boven en nam zelf maar een droog stukje brood. 

En geen koffie maar een bakje thee er bij.. 

 

 

Gelukkig kwam Bart wat later, dus die had niets gemerkt van mijn misselijkheid. Maar het ongeluk wilde dat hij een probleem had met de dagtank en nou stonk hij als een dragonder naar de gasolie. Toen hij zat te eten ben ik maar even op het achterdek gaan staan om uit te waaien.

Met een pot koffie onder mijn arm ging ik maar eens op de brug kijken. Joost was in de kaartenkamer en had het roer vast gezet. 

Hij vroeg: kokkie als jij nou eens probeert om koers 023 te sturen, dan werk ik de kaarten even bij. Jij hebt toch nog wel even tijd voordat je aan de middagpot gaat beginnen. 

En zo stond ik voor het eerst aan het roer op de Noordzee. Bij ons aan boord waren we wel vaker op het kompas over het IJselmeer gevaren, maar dit was toch wel even wat anders. 

De Gruno stuurde zo goed dat ik zo weinig aan het roer hoefde te draaien dat de stuurman kwam kijken wat voor koers we voor lagen. Hij zei niks maar bromde wat en dook weer in de kaartenkamer, even later hoorde ik hem snurken.

 

 

Wim kwam ook in de stuurhut. 

Zo kokkie, vroeg hij, heb je het nog naar je zin? Wat wil een mens nog meer als, ‘t zeetje in de kont en een vers bakkie. Straks zijn we aan de Elbe 1, voor het gaat waaien zijn we in het kanaal. Zal ik een tijdje sturen, kan jij wat te eten maken.

In de kombuis ligt Max op de bank te pitten. Hij hoort niet eens dat ik binnen kom. Ik begin maar eens met een paar kasten schoon te maken. Mijn voorganger was niet zo erg werkerig, dat was duidelijk te merken. En een beetje sop deed wonderen.

Ik kijk eens naar buiten. We maken een grote bocht naar SB en ik zie achter ons een lichtschip dobberen. met grote letters op de zijkant: Elbe 1. 

 

 

Vergezeld met een verse pot koffie ga ik later in de stuurhut. De stuurman staat aan het roer en stuurt langs de boeien met een dikke vloed achter ons aan, naar binnen. 

Kijk Dirk, daar heb je Cuxhaven en hij wijst met zijn hand naar de wal. Daar zal je best nog wel eens komen. Als het weer te slecht is gaan we daar nog wel eens schuilen. Daar kan je ook lekker bier happen.

Een paar uur later komen we bij de sluizen van Brunsbüttel. Voor ons gaat nog een coaster naar binnen. Op de sluis komt een loods aan boord. De man gaat op het krukje zitten en laat ons sturen. Die verdient zijn geld wel heel gemakkelijk.

De loods is wel een gezellige prater; hij weet van ieder schip wat te roddelen. Als we tegen dag worden bij Rendsburg komen zegt hij: als we onder de brug door  zijn, dan gaat achter ons de pont over.

En inderdaad achter ons, aan kabels onderaan de brug hangend, gaat een hangpont over.

 

 

Als we in Holtenau geschut zijn gaan we aan de Thyssenkade provianderen. Waar ook de sigaretjes aan boord komen, waar Wim een handeltje mee gaat doen. Een paar uur later vertrekken we naar de Oostzee. Die is trouwens niets anders dan de Noordzee. Alleen het is nu wat harder gaan waaien en met die staalrollen onder in het schip, slingeren we, als we een paar mijl uit de kust zijn, als een dobber. Ik ga maar eens een paar uur slapen.

Als ik in mijn hut kom, ligt Max op mijn bed en is er met geen geweld uit te krijgen. Als hij maar niet begint te kotsen is het mij best. Met de hond tegen mijn rug aan slaap ik als een roos.

 

 

‘s Avonds lopen we de Letse haven Liepaja aan, de loodsboot komt ons al tegemoet. In het donker is het wel gemakkelijk met hem aan boord; hij weet precies waar we moeten meren.

Als we vast liggen komt de agent met de douane aan boord, die de papieren in orde maken. Ik denk niet dat we in de stad komen het is ook nogal ver van de troosteloze stad vandaan. En ik heb nog steeds niet veel geld verdiend. Als de agent van boord gaat horen we dat als we leeg zijn we naar Manty gaan om een lading hout te laden voor Holland. 

Ik vraag de agent: als u weer komt uitklaren wilt u dan een aanzichtkaart voor mij mee nemen? Dan schrijf ik hem snel en u doet hem op de bus, gaat dat? Nou, hij zou wel zien.

Het lossen gaat snel, tegen de middag komt de agent weer, met een ansichtkaartje. 

 

 

Als hij aan het uitklaren is, schrijf ik snel even het adres van Willy op de achterkant en een berichtje dat we naar Holland komen, maar nog niet weten waar naar toe. Als ik de agent een pakje sigaretten geef, glimlacht hij breed en zegt: I make it for you. 

Buitengekomen waait het hard, en we stampen dan ook erg. Zo erg zelfs dat ik niets op het fornuis kan houden. Brood en eieren kan ik nog net klaar maken maar voor de rest is het niet te doen.

Als ik in mijn hut kom, ligt Max onder de dekens. Hij vindt het maar niks al dat gestamp, nou weet ik ook waarom dit niet de beste hut is, de schroef komt steeds boven water en ramt dan weer met donderend geweld onder water, dat er van slapen wel niet veel zal komen.

‘s Morgens ben ik dan ook geradbraakt. Max gaat even aan dek en kruipt weer onder de dekens. 

Word vervolgdt

Geef uw mening over  deze serie via

        lowy.cremers.senior@gmail.com